[order] Charadriiformes | [family] Sternidae | [latin] Chlidonias niger | [UK] Black Tern | [FR] Guifette noire | [DE] Trauerseeschwalbe | [ES] Gaviotín Negro | [IT] Mignattino | [NL] Zwarte Stern

Zwarte Stern determination

De zwarte stern (Chlidonias niger) is een vogel uit de familie van sterns (Sternidae). Een volwassen exemplaar is 20 tot 25 centimeter groot en is daarmee ongeveer even groot als de dwergstern. Het lichaamsgewicht is 60 tot 75 gram. Beide geslachten hebben een gelijk verenkleed.

De Zwarte Stern is tijdens het broedseizoen gebonden aan zoet water. De broedbiotoop bestaat vooral uit zoetwatermoerassen, vennen, uiterwaarden, plassen en sloten, en oevers van meren en langzaam stromende rivieren. Van belang is de aanwezigheid van drijvende waterplanten waarop de nesten worden gebouwd. Bij afwezigheid van geschikte waterplanten worden in veel gebieden speciaal voor dit doel uitgelegde vlotjes of andere drijvende materialen als nestgelegenheid gebruikt. Plaatselijk nestelt de soort in slootkanten van graslanden en op drooggevallen modderplaten. De soort foerageert veel op insecten en andere ongewervelde dieren. Naast het aanbod van voldoende insecten is de aanwezigheid van visrijk water binnen een straal van 5 km van het nest van belang, omdat vissen een noodzakelijke aanvulling op het dieet vormen. Tegenwoordig broedt de soort voornamelijk in laagveenmoerassen, laagveengraslanden en moerassen in rivierkleigebieden. Daarnaast komen er nog kleine aantallen voor in vennen en hoogvenen in Drenthe en Noord-Brabant. Tijdens de trek maakt de soort zowel gebruik van zoet- als van zoutwatergebieden. In de nazomer concentreren zich grote aantallen foeragerende en ruiende Zwarte Sterns op het IJsselmeer en Markermeer, waarbij vooral het Balgzand (in het verleden ook de Steile Bank) en de Oostvaardersplassen worden gebruikt als slaapplaats. Daarnaast gebruiken ze het Schor bij Den Oever en de geoogste akkerbouwgebieden in de IJsselmeerpolders als voorverzamelplaats op weg naar de slaapplaatsen.

Inventarisatie
Begin mei tot in juli. Nesten tellen de gehele dag, volwassen individuen of paren (kleine kolonies) het best in de vroege ochtenduren of late namiddag-vroege avond.
Methode
Minimaal eenmaal nesten, paren of volwassen individuen op de broedplaats tellen tussen 20 mei-30 juni, bij voorkeur half juni. Let op voedselvluchten (tot meer dan enkele km van de kolonie) en invallende vogels op potentiële broedplaats. Bij solitaire paren en kleine kolonies kunnen alarmerende paren worden geteld, maar controleer of het inderdaad een broedplaats betreft. Let op regelmatig opvliegende en neerstrijkende vogels op potentiële broedplaats.
Interpretatie
Hoogste aantal nesten, alarmerende paren of volwassen individuen aanhouden (aantal individuen delen door 1,5). Wees bedacht op foeragerende en alarmerende vogels tot op enkele km van broedplaats. Vestiging tot in juni; let op overzomeraars. Door verstoring soms verplaatsingen. Fusie-afstand 500 m.
Bijzonderheden
Verstoringsgevoelig. Biotoop: moerassen, vennen en sloten (veenweidegebied). Nestelt meestal op drijvende vegetatie of uitgelegde vlotjes.

Rond 1900 was de zwarte stern een gewone broedvogel van laagveenstreken, het rivierengebied en in mindere mate van vennen op de zandgronden. Een voorzichtige schatting komt op tenminste 10.000 tot 20.000 broedparen. Reeds vroeg in de eeuw werd gesproken van een afname, een tendens die in de jaren vijftig steeds duidelijker naar voren kwam. Hele kolonies van ettelijke tientallen paren verdwenen in enkele jaren tijds als sneeuw voor de zon. Rond 1975 waren nog zo'n 2000-3000 paren over, nu is dat verder geslonken tot 1.000 tot 1.250 paren, voornamelijk in de Utrechts-Hollandse veenplassen, Friesland, de Kop van Overijssel en de Gelderse Poort. Naast de negatieve trend valt op, dat de aantallen van jaar tot jaar sterk schommelen. Positieve uitschieters worden deels veroorzaakt door droogte in buitenlandse broedgebieden. De sterns ontvluchten dergelijke gebieden en kunnen vervolgens voor één broedseizoen binnen onze landsgrenzen nestelen.

Op plaatsen waar afname van het aanbod aan nestplaatsen het grootste probleem is, kan de soort geholpen worden met het aanbrengen van nestvlotjes. Lokaal hebben dergelijke vlotjes hun nut al bewezen. Waterrijke natuurgebieden met veel krabbescheer zijn het best gediend met een hydrologische isolatie, waarbij het inkomende (regen)water zoveel mogelijk wordt vastgehouden. Verder moet de watervegetatie nabij de broedplaatsen zich ongestoord kunnen ontwikkelen. Het afsluiten van deze (deel)gebieden voor waterrecreanten is dan ook noodzakelijk. Het schonen van sloten in agrarisch gebied zal zoveel mogelijk buiten het broedseizoen plaats moeten vinden. Waar voedselgebrek de voornaamste boosdoener is, dient het accent te liggen op verbetering van de waterkwaliteit, in combinatie met een extensief beheer van nabijgelegen graslanden. Daarnaast moet verstoring door varende recreanten zoveel mogelijk vermeden worden. In de toekomst kan het vergroten van de oppervlakte moeras en hoogveen middels natuurontwikkeling nieuwe broedplaatsen opleveren. Een goed voorbeeld hiervan is het insektenrijke Bargerveen, waar inmiddels tientallen paren broeden. Extra maatregelen uit het BeschermingsPlan Moerasvogels: 1. In laagveenmoeras streven naar minstens 2% van het totale moerasoppervlak bestaand uit overjarige krabbenscheergemeenschap 2. Meer laat gemaaide kruidenrijke hooilanden (na 1 augustus) en inrichting en behoud van overjarige graslanden en overjarige ruigtevegetaties 3. Aanleg moerashabitats veenweidegebied 4. Minder frequent sloten schonen in veenweidegebied 5. Vlotjes altijd uitleggen met beleid, in combinatie met habitatverbetering. In gebieden waar het ontbreken van geschikte nestondergrond een belangrijke factor is, kan het aanbieden van vlotjes bijdragen aan een tijdelijk tenminste behouden van de huidige populatie. In gebieden waar voedselgebrek voor de jongen de belangrijkste factor is, dragen vlotjes onvoldoende bij aan behoud of herstel van de populatie.

De paleartische Zwarte Sterns verspreiden zich meestal Noordwaarts na het broeden. Gedurende deze periode kunnen, onderweg naar de mediterrane gebieden, enorme aantallen worden aangetroffen in de Noordzee. Vanuit de Mediterranee worden via Noord Afrika de overwinteringsgebieden bereikt. De belangrijkste gebieden liggen aan de tropische West Afrikaanse kusten van Mauretanie tot Namibie. De volwassen exemplaren keren in augustus terug naar de broedgebieden, de Juvenielen volgen een maand later. Vrijwel de gehele Europese populatie trekt via Nederland en de kust naar West-Afrika. Vooral het IJsselmeergebied is een zeer belangrijk tussenstation.