
Groter dan Stormmeeuw. Lijkt oppervlakkig gezien op een meeuw, maar robuuster gebouwd, met korte dikke nek en smalle recht gehouden vleugels zonder zwarte punten. Snavel gelig, kort en dik en geheel anders gebouwd dan meeuwensnavel; poten rozig of blauwig. Vlucht typisch stormvogelachtig, met lange glijvluchten op stijve vleugels, afgewisseld met snelle ondiepe vleugelslagen. Kop, nek en onderdelen wit; rug, bovenvleugels, stuit en staart grijs; vleugels naar punten toe geleidelijk donkerder, maar met lichte vlek op basis van handpennen. Donkere kleurvorm geheel donkergrijs, maar er zijn vele tussenvormen, met name in uiterste noorden van gebied.
Het voedsel van Noordse Stormvogels bestaat uit alles wat van de oppervlakte en de bovenste waterlagen kan worden gevangen, inclusief aas. De soort kan ook uitstekend gebruik maken van kunstmatige voedselbronnen zoals overboord gezette bijvangsten en ander visafval achter vissersschepen. In de Noordzee is de visserij een belangrijke voedselbron, maar in meer noordelijke streken foerageren ze vooral 's-nachts op scholen crustaceën en cephalopoden. Het merendeel van het voedsel wordt van het wateroppervlak gehaald, maar deze soort kan ook redelijk duiken en onder water prooien vangen.
De Noordse Stormvogel broedt verspreid over het noordelijk deel van het noordelijk halfrond. De wereldpopulatie wordt geschat op 15 tot 20 miljoen paar. In het Noordatlantisch gebied bevinden de belangrijkste kolonies zich op de rotskusten van IJsland en Schotland (525.200 paar). In Europa is het aantal broedparen de laatste twee eeuwen sterk toegenomen. Nadat in 1878 vogels (vermoedelijk afkomstig van de Far Öer) zich vestigden op de Shetland eilanden, koloniseerden ze binnen een eeuw een groot deel van Groot-Britannië. Ook in Noorwegen, Duitsland en Frankrijk ontstonden kolonies. De Noordoost-Atlantische populatie nam in het begin van deze eeuw toe met 13-19 % per jaar. Na de jaren dertig liep de groei terug, maar ook nu bedraagt deze nog ongeveer 4 % per jaar. Noordse Stormvogels broeden voor het eerst wanneer ze acht a tien jaar oud zijn, de mannetjes op iets jongere leeftijd dan de vrouwtjes. De dieren zijn ongeveer tien maanden per jaar op of rond de kolonies aanwezig, veel langer dan de meeste andere Europese zeevogels. Het ene ei wordt in mei gelegd en komt zeven weken later uit. De jongen verlaten het nest ruim 50 dagen nadat ze uit het ei gekomen zijn. Noordse Stormvogels kunnen ouder dan 50 jaar worden.
Het voorkomen van de Noordse Stormvogel langs de kust is zeer onregelmatig en vooral gecorreleerd aan perioden met harde westelijke winden. Vooral in de maanden april en mei werd de soort, met name aan de Hollandse kust, regelmatig gezien. In deze periode verlaat een deel van de Engelse populatie de kolonies voor korte tijd, tijdens de zogenaamde prebreeding exodus. In het najaar werden grotere aantallen vrijwel uitsluitend gezien tijdens stormen.


