
De Noordse stern verschilt niet zo veel van het visdiefje in uiterlijk. De snavel is in het broedseizoen echter geheel bloedrood, zonder zwarte punt. De Noordse stern is een zeer migrerende vogel, en bezit het record op de lange-afstandstrek onder vogels, van de noordpool naar de zuidpool elk jaar en terug. In Nederland is hij een zeldzame broedvogel, maar hij komt voor in het gehele Arctische en Antarctische gebied.
De Noordse Stern is veel meer gebonden aan zoute milieus dan de Visdief, en broedt vooral op rustige, zandige, en schaars begroeide gebieden. De verspreiding beperkt zich grotendeels tot de Waddeneilanden en de Fries-Groningse kust. Daarnaast broedt de soort in veel kleinere aantallen in het Deltagebied en het Lauwersmeer. De foerageergebieden liggen grotendeels binnen een straal van 10 km van de kolonie. Het voedsel bestaat voornamelijk uit mariene prooien, zoals vis, krabben, garnalen en wormen, die vooral in het intergetijdengebied worden gevangen. Als rustgebied worden zandbanken, strandvlakten en kwelders in de buurt van de kolonies gebruikt (Boecker 1967, SOVON 1987, Stienen & Van Tienen 1991, Van Dijk et al. 1998) De Noordse Stern is veel meer gebonden aan zoute milieus dan de Visdief, en broedt vooral op rustige, zandige, en schaars begroeide gebieden. De verspreiding beperkt zich grotendeels tot de Waddeneilanden en de Fries-Groningse kust. Daarnaast broedt de soort in veel kleinere aantallen in het Deltagebied en het Lauwersmeer. De foerageergebieden liggen grotendeels binnen een straal van 10 km van de kolonie. Het voedsel bestaat voornamelijk uit mariene prooien, zoals vis, krabben, garnalen en wormen, die vooral in het intergetijdengebied worden gevangen. Als rustgebied worden zandbanken, strandvlakten en kwelders in de buurt van de kolonies gebruikt.
Inventarisatie
Van begin mei tot half augustus.
Nesten tellen de gehele dag, volwassen individuen
of paren (kleine kolonies) het best in de
vroege ochtenduren of late namiddag-vroege avond (binnenland) en bij hoog water (getijdengebieden).
Methode
Minimaal eenmaal nesten, paren of volwassen
individuen op de broedplaats tellen
tussen 20 mei-30 juni, bij voorkeur half juni.
Let op voedselvluchten (tot meer dan 10 km
van de kolonie) en vogels op potentiële broedplaats.
Bij solitaire paren en kleine kolonies
kunnen alarmerende paren worden geteld,
maar controleer of het inderdaad een broedplaats
betreft. Visdieven en Noordse Sterns
nestelen soms in gemengde kolonies, maar
vaak in afzonderlijke gedeelten. Eieren van
beide soorten zijn in het veld niet met zekerheid
van elkaar te onderscheiden.
Interpretatie
Hoogste aantal nesten, alarmerende
paren of volwassen individuen aanhouden
(aantal individuen delen door 1,5). Wees bedacht
op foeragerende en alarmerende vogels
tot op een afstand van enkele km van de
broedplaats. Vestigingen tot half juni; vanaf
eind juni kan de broedplaats worden verlaten.
Door overstroming of verstoring soms verplaatsingen.
Fusie-afstand 500 m.
Bijzonderheden
In de vestigingsperiode
verstoringsgevoelig. Soms solitair broedend
in of nabij kolonies van Kokmeeuw (let
op geluid).
Omdat noordse sterns vroeger nogal eens voor visdieven versleten werden, is het moeilijk om een goed beeld van de vroegere aantallen te geven. Waarschijnlijk hebben in ons land nooit meer dan enkele duizenden paren gebroed. In 1954 werd de stand geschat op 2500 paar. Na de bij de andere sterns beschreven terugval in de jaren zestig trad een voorzichtige toename op tot een maximum van 1600 paar rond 1980. Sindsdien schommelden de aantallen jaarlijks tussen de 1000 en 2000 paar, maar sinds midden jaren ' 90 nemen de aantallen in het gehele (internationale) waddengebied toe. De meeste Nederlandse noordse sterns broeden in het Waddengebied, speciaal op Griend, Rottummerplaat en op de overige Waddeneilanden. Buiten de Wadden herbergt alleen het Deltagebied aantallen van enige betekenis. Hier broeden enkele tientallen paren en vindt een gestage afname plaats.
Een aantal belangrijke broedplaatsen in het Waddengebied is goed beschermd (Griend, Rottummerplaat), maar de broedplaatsen langs de Friese kust hebben deels te leiden van verstoring. Zo ligt het broedsucces bij de kolonie op de kwelder bij Paesens/Moddergat erg laag door de aanwezigheid - vooral in het weekend - van wandelaars met loslopende honden. Een verruiming van de mogelijkheid om de kwelders te betreden zal zeker ten koste van de noordse stern gaan. Naast het beschermen van de broedplaatsen is verstandig omgaan met de rijke voedselbronnen van de Waddenzee van groot belang voor het voortbestaan van de noordse stern in onze streken. Voordturende alertheid om de grote kolonies in het Waddengebied te vrijwaren van al te nieuwgierige wadlopers is erg belangrijk om de rust in de kwetsbare broedgebieden te bewaren.
De Noordse Stern is de ongeevenaarde kampioen van de trek. Het diertje vliegt van de (meest Noordelijke) broedgebieden nabij de Noordpool naar de Zuidpool om te overwinteren (een afstand van 15.000 tot 20.000 kilometer heen en vervolgens weer terug). De Sterns vertrekken uit Europa in juli en trekken vooral over zeegebied. In Oktober wordt Zuid Afrika bereikt en vele exemplaren trekken door naar de ijsranden van de Zuidpool. In April, mei begint de terugreis. De Nederlandse kolonies bevinden zich aan de Zuid kant van het (enorme) broegebied waar de vogels eind april begin mei weer terugkeren.


