
Onmiskenbaar vanweg de grote, de kuif, maar vooral vanwege de unieke gele snavelpunt.
De Grote stern broedt vrijwel uitsluitend op rustige, schaars begroeide eilandjes langs de kust, in het Wadden- en Deltagebied, alsmede op opgespoten terreinen langs de kust. De Grote Stern is als viseter aangewezen op foerageergebieden op zee tot op een afstand van 45 km van de kolonie, hoewel het merendeel foerageert binnen 25 km. Als rustgebieden en voorverzamelplaatsen voor de trek maakt de Grote Stern gebruik van strand- en wadvlakten, zandbanken en andere lage zandige gebieden langs de kust.
Inventarisatie
Van half mei tot in juli. Nesten tellen
de gehele dag, volwassen individuen of
paren (kleine kolonies) het best in de vroege
ochtenduren of late namiddag-vroege avond
en bij hoog water.
Methode
Minimaal eenmaal nesten, paren of volwassen
individuen op de broedplaats tellen
tussen 20 mei-15 juni, bij voorkeur vlak voor
het uitkomen van de eieren in eind mei-begin
juni. Let op voedselvluchten (tot meer dan 10
km van de kolonie) en vogels op potentiële
broedplaats. Bij solitaire paren en kleine kolonies
kunnen alarmerende paren worden geteld,
maar controleer of het inderdaad een
broedplaats betreft.
Interpretatie
Hoogste aantal nesten, alarmerende
paren of volwassen individuen aanhouden
(aantal individuen delen door 1,5). Wees bedacht
op foeragerende en alarmerende vogels
tot op enkele km van broedplaats. Vestigingen
tot ver in juni. Vanaf eind juni, na verstoring
(bijv. stormvloed) ook eerder, kan de
broedplaats verlaten worden en treden soms
verplaatsingen op. Fusie-afstand 500 m.
Bijzonderheden
In het begin van het
broedseizoen zeer ril en verstoringsgevoelig.
Soms solitair broedend of in meeuwenkolonie
(let op geluid). Biotoop: schaars begroeide
zandplaten, lage duintjes, kwelders, schorren.
Het beeld van het aantal broedende grote sterns in Nederland is er een van - door de mens veroorzaakte - pieken en dalen. Rond het begin van de twintigste eeuw werden veel grote sterns gedood om de fraaie veren als versiersel op dameshoeden te gebruiken. Daarnaast werden de eieren nogal eens geraapt voor consumptie. Na een verbod op deze praktijken steeg het aantal broedparen tot zo'n dertig- à veertigduizend in het midden van de eeuw. Eind jaren vijftig zette opnieuw een forse daling in, ditmaal vooral veroorzaakt door verlies van broedgebieden (De Beer!) en lozingen van voor de bestrijdingsmiddelen-industrie geproduceerde giftige gechloreerde koolwaterstoffen. In 1965 waren nog slechts 875 paren over. Na een verbod op de gewraakte lozingen konden de aantallen weer wat stijgen; begin jaren negentig broedden zo'n 9000 -12.000 paren in ons land.In de periode 1998 - 2000 schommelde het aantal broedparen rond de 14.500, hetgeen dus een stijging is ten opzichte van de 90'er jaren.
Het herstel van de grote stern na het debâcle in de jaren zestig is tot nu toe bepaald niet volledig geweest. Immers, er broeden nu nog altijd tenminste 20.000 paren minder dan begin jaren vijftig. Om een verdere toename te bewerkstelligen, zijn een aantal zaken nodig. Ten eerste dient zorgvuldig te worden omgegaan met het Noordzee-milieu en moet overbevissing van belangrijke prooivissen voorkomen worden. Met name de huidige vangst van zandspiering (voor de vismeel-industrie) baart wat dat betreft zorgen. De belangrijkste huidige broedplaatsen (Griend in de Waddenzee en Hompelvoet en Hooge Platen in de Delta) worden in het broedseizoen permanent bewaakt. Bovendien is het beheer van deze gebieden afgestemd op het behoud van broedgelegenheid voor de grote sterns. In potentiële broedgebieden is het behoud van rust erg belangrijk. Op sommige plaatsen kan natuurbouw wellicht een rol spelen, al lijkt natuurlijke aanwas (b.v. de Hors in de Wadden en in de toekomst wellicht de Voordelta) te prefereren. Het aanleggen van speciale broedeilanden voor de soort kan op sommige plaatsen, met name in de Delta, soelaas bieden. Afslag (Westplaat Voorne) of verstoring (vogeleiland bij Neeltje Jans) kan echter roet in het eten gooien. Verder kunnen dergelijke eilanden beter niet worden aangelegd op plaatsen waar predatoren als vossen, ratten en verwilderde katten rondlopen. In de Afrikaanse kuststreken worden nog steeds sterns voor de lol gevangen en gedood.
Na het broedseizoen verplaatsen de Sterns zich zowel Noordelijk als Zuidelijk van het broedgebied. Half september begint de werkelijke trek altijd Zuidwaarts. Van de vijf ondersoorten trekt de Europese soort (Sterna sandvicensis sandvicensis) langs de Westkust van Afrika richting de tropische gebieden, met in december grote concentraties in Mauretanie. Een klein aantal overwintert in West Europa.


