[order] Passeriformes | [family] Emberizidae | [latin] Miliaria calandra | [UK] Corn Bunting | [FR] Bruant proyer | [DE] Grauammer | [ES] Escribano Triguero | [IT] Strillozzo | [NL] Grauwe Gors

Grauwe Gors determination

De enige gors in het gebied waarvan mannetje en vrouwtje eender getekend zijn. Groot met aardbruine, donker gestreepte bovendelen. Onderdelen wit met zwaar gestreepte borst en flanken. Onduidelijk koppatroon met smalle snorstreep. Geen wit in staart of vleugels. Zit vaak op electriciteitsdraden. Vliegt vaak met hangende poten. 's Zomers in paren maar buiten broedseizoen in grote groepen, vaak samen met andere soorten.

Grauwe gorzen zijn vogels van open, liefst licht heuvelachtige of door dijken doorsneden landelijke gebieden. Het grondnest bevindt zich in ruig grasland, struweel of op (graan)akkers. In de broedtijd worden zowel kleine ongewervelden als granen en zaden van kruiden en grassen genuttigd.

Inventarisatie
Eind maart tm eind juli, in grasland vooral in april-mei, in bouwland in junijuli. 's Ochtends (maar meestal niet vroeg) en op mooie zomeravonden rond zonsondergang.
Methode
Alle waarnemingen in geschikt biotoop (vooral bouwland en uiterwaarden) noteren, met speciale aandacht voor zang, aanwezigheid paar (partners zitten op draad, onkruidstengel, kluit etc.), alarm ('tikken') of voedseltransport. Interpretatie Nest of nestindicerende waarneming; anders één territoriumindicerende waarneming (ook duidelijk paar) tussen 15 mei-20 juli. Fusie-afstand 500 m.
Bijzonderheden
Soort kan geclusterd voorkomen, maar vogels verplaatsen zich over grote afstanden (volg ze met kijker). Binnen territorium zijn verschillende zangposten in gebruik, soms gescheiden door ongeschikt terrein. Aantal zingende mannetjes is maat voor aantal territoria, maar niet voor aantal nesten (polygamie). Vooral langs rivieren nogal onvoorspelbaar qua optreden.

Over het vroegere voorkomen van de grauwe gors in Nederland zijn slechts weinig gegevens voorhanden. Toch was het vermoedelijk lange tijd een plaatselijk gewone vogel van akker- en graslanden, vooral in het oosten en zuiden des lands. Midden jaren zeventig bleek de Nederlandse populatie nog maar 1100-1250 paar te bedragen. Groningen, het rivierengebied, Zeeuws-Vlaanderen en Limburg waren bolwerken voor de soort. Sindsdien is de stand van de grauwe gors steeds verder gekelderd; van 450-700 paar in 1980 en 250-375 paar in 1985 tot 50-75 paar in 1992. Inmiddels heeft de soort een nieuw dieptepunt bereikt: in 2000 broedden nog slechts 50-100 paren. Alleen in Limburg en in Zeeuws-Vlaanderen wordt nu nog jaarlijks gebroed.

Snelle actie voor het behoud van de grauwe gors is, gezien het tempo van de afname, geboden. In de uiterwaarden kan een extensiever beheer en een toename van de hoeveelheid hooiland-percelen de soort nieuwe kansen bieden. Op akkerland is een minder homogene gewaskeuze en uitbreiding van de oppervlakte aan stoppelvelden, bij voorbeeld in het kader van de braaklegregeling, wellicht een oplossing. Ook het aanmoedigen van de teelt van zomertarwe lijkt, met name in Limburg, Groningen en Zeeuws-Vlaanderen, de moeite waard. Op termijn is omschakeling naar een ecologisch verantwoorde landbouw, waarin in mozaiekvorm verschillende gewassen worden verbouwd, natuurlijk onontbeerlijk.

De Grauwe Gors wordt in Nederland vooral in de winter waargenomen. Gedurende de wintermaanden vormen de Gorzen troepen die meestal niet ver van de broedgebieden fourageren. In Nederland nauwelijks nog broedgevallen, waardoor de waarnemingen in de winterperiode vooral doortrekkers betreft. De soort ontbreekt volledig in Scandinavie maar in de meer Zuidelijke landen (veel voorkomend) en Engeland (redelijk voorkomend) een regelmatige broedvogel. Het is niet geheel duidelijk waar de Nederlandse populatie verblijft gedurende de winter, evenmin weinig data bekend over de hier verblijvende wintervogels.