
De Dwergstern is de kleinste in Nederland voorkomende stern, die in de vlucht vooral opvalt door de zeer snelle vleugelslagen. In het zomerkleed is de dwergstern te herkennen aan het witte voorhoofd, dat bij de meeste andere sterns alleen in de winter wit is.
De Dwergstern broedt voornamelijk in rustige, schaars begroeide en dynamische milieus, zoals zand, kiezel- of schelpenbanken, eilandjes en opgespoten terreinen. Hoewel de soort in Nederland tegenwoordig uitsluitend in zoute milieus broedt, zijn Dwergsterns niet strikt gebonden aan mariene milieus. De verspreiding van broedende Dwergsterns beperkt zich grotendeels tot het Deltagebied. Daarnaast komt de soort tot broeden in het Waddengebied en in het verleden ook in het IJsselmeergebied. Het voedsel bestaat voornamelijk uit vis en kreeftachtigen, die gevangen worden binnen een straal van 3 km van de kolonie. Als rustgebieden worden vooral vlakke zandige platen en stranden gebruikt.
Inventarisatie
Half mei tot einde juli. Nesten tellen
de gehele dag, volwassen individuen of
paren (kleine kolonies) het best in de vroege
ochtenduren, late namiddag-vroege avond en
bij hoog water.
Methode
Minimaal eenmaal nesten, paren of volwassen
individuen op de broedplaats tellen
tussen 20 mei-15 juni, bij voorkeur half juni.
Let op voedselvluchten (tot meer dan 5 km
van de kolonie) en vogels op potentiële broedplaats
(van enige afstand met verrekijker of
telescoop observeren). Bij solitaire paren en
kleine kolonies kunnen alarmerende paren
worden geteld, maar controleer of het inderdaad
een broedplaats betreft.
Interpretatie
Hoogste aantal nesten, alarmerende
paren of volwassen individuen aanhouden
(aantal individuen delen door 1,5). Wees
bedacht op foeragerende en alarmerende vogels
tot op enkele km van de broedplaats. Vestigingen
tot in juni; vanaf begin juli rondzwervende
paren met jongen. Door overstroming
of verstoring soms verplaatsingen. Fusie-afstand
500 m.
Bijzonderheden
In vestigingsperiode
verstoringsgevoelig. Soms solitair broedend
in of nabij kolonie van Visdief (let op geluid).
Biotoop: rustige schelprijke stranden, zandplaten
en schelpenbanken, strandvlakten, opspuitterreinen,
hoge kwelders of deels kale
schorren.
Door de uitvoering van de Deltawerken, de havenuitbreiding van Rotterdam en de opkomst van het massatoerisme op de stranden zijn veel broedplaatsen ongeschikt geworden of geheel verdwenen. Bovendien leidde de vergiftiging van het in de Noordzee stromende Rijnwater in de jaren zestig tot sterfte, waardoor eind jaren zestig nog maar 100 paren in Nederland broedden. Na een verbod op de lozing van de belangrijkste boosdoeners in de Rijn vond een gestage toename plaats, maar het peil van voor de jaren zestig (rond de duizend paar) wordt bij lange na nog niet gehaald. De laatste jaren broeden jaarlijks 250-450 paar in ons land, zo'n driekwart hiervan in de Delta en de rest in het Waddengebied.
Vogelbescherming Nederland heeft in 1993 een 'Actieplan Dwergstern' uitgebracht. Volgens het actieplan wordt gestreefd naar een populatie van minimaal 600 broedparen, waarvan tenminste 200-300 paar in het Waddengebied. Om dit streefgetal te halen, zullen naar schatting veertig potentieel geschikte gebieden in de Wadden en de Delta aanwezig moeten zijn. Daarbij is rekening gehouden met de kwetsbaarheid van de broedgebieden; elk jaar is er wel een aantal niet bruikbaar vanwege factoren als hoog water, te hoge begroeiing en dergelijke. Gezien het verschil tussen het huidige en het nagestreefde aantal broedgebieden zal nieuwe broedgelegenheid gecreëerd moeten worden. Daarnaast verdienen de bestaande en potentiële broedplaatsen een optimale bescherming. Bij dat laatste valt te denken aan een geregelde bewaking, en het beborden of omrasteren van broedplaatsen. Neem daarbij wel eerst contact op met de grondeigenaar. Bij beheerswerk voor de aanvang van het broedseizoen wordt vaak een beroep gedaan op vrijwilligers. Daarnaast kunnen Vogelwerkgroepen soms worden ingeschakeld bij het tellen en bewaken en bij educatieve activiteiten. De meeste broedplaatsen liggen in natuurgebieden. Toch kan een belangrijke kolonie als die op de Hooge Platen binnenkort te leiden hebben van de verdieping van de Westerschelde. Natuurcompensatie kan hier het leed wellicht verzachten (ontpoldering, opspuiten strandjes, aandacht voor voedselsituatie). Op de lange termijn biedt een meer dynamische kustverdediging kansen voor een toename van natuurlijke broedplaatsen. Ondersteuning van dit streven komt dan ook ten goede aan de dwergstern. Tot slot biedt een ongestoorde ontwikkeling van de Voordelta nieuwe kansen aan de soort.
De meest Noordelijke populaties van de Dwergstern vertrekken al eind augustus naar Afrika. De West en Centraal Europese populaties vertrekken eind oktober, begin november naar voornamelijk de Golf van Guinea, maar worden ook in Zuid Afrika en Kenia aangetroffen. Is in Nederland vooral standvogel, de Noordelijke exemplaren trekken hier in vrij klein aantal door.


